|
In tegenstelling tot de meeste krijgskunst heeft Shaolin wushu een godsdienstige oorsprong voort gekomen uit boeddhisme. Meer dan 1500 jaar zijn Shaolin godsdienstige en krijgskunst leerinstellingen gehouden aan de voet van de Songshan berg in voorstedelijk Zhengzhou (Henan provincie) in China. Sindsdien is het ook over de rest van de wereld verspreid. Shaolin heeft wereld bekendheid gekregen en is waarschijnlijk de enigste bekend om de krijgskunst. De Shaolin tempel is gesticht bij Ba Tau rond 495 v. Chr.. De tempel was het huis van Hui Gang en Seng Chou beide discipelen van Ba Tau de destijds eerste bekende krijgskunst monniken. Het was niet voor de opkomst van het boeddhisme en Tao Mo (Bodhidarma) dat de reputatie van de Shaolin monniken in de vaardigheden van de krijgskunst groeide. Nog vóórdat de krijgskunst iets met het boeddhisme te maken had woonde daar al veel Shaolin monniken wie meester in wushu (kungfu) waren. De monniken van de Shaolin tempel hebben over de eeuw gezien veel beroemdheid en prestige gewonnen voor Shaolin hetgeen een synoniem met de Chinese krijgskunst is geworden. 
De Shaolin tempel ligt in de provincie Henan, 13 kilometer van de hoofdstad van het district Denfeng. In 496 n. Chr. werd de Shaolin tempel gebouwd aan de voet van het Songshan Gebergte, in opdracht van de toenmalige keizer Xiao Wen van de Noordelijke Wei Dynastie (386-534). De berg Songshan is de centrale berg in het Songshan gebergte in Henan. De Shaolin tempel is gelegen aan de voet van Wu Ru Feng (Five-breast Peak), ten noorden van de berg Shaoshi. De tempel kijkt uit op het zuiden, naar de kliffen van Shaoshi. Naar het oosten ligt de berg Taishi, en naar het noorden ligt het, in vroeger tijden belangrijke, Huanyuanguan pad. De tempel werd gebouwd aan de voet van het berggedeelte Shaoshi en staat nu op de plek waar eens een jong woud stond. Daarom heet het nu Shaolin: de tempel van het jonge woud. Een andere verklaring voor de naam >>Het Jonge Woud is deze; jonge bomen kunnen meegeven en zullen niet snel breken. Dit zou dan gelden voor de monniken van het klooster. Nog een andere verklaring wordt gegeven door Jing Rizhen in zijn uit de vroege Qing stammende boek De Berg Song: >>Shaolin betekent wouden in het gebergte Shaoshi van het Song gebergte. Voor de ingang van de tempel stroomt de Shaoxi (of Shaoshixi), deze beschermd de tempel volgens de regels van het Fengshui tegen slechte invloeden van buiten af.

2. Chronologie van de tempel. Aan de hand van de dynastieën worden de belangrijkste gebeurtenissen van de tempel, personen en ontwikkelingen in de vechtkunsten en boeddhisme hieronder toegelicht. 2.1 De bouw van de tempel was ter ere van de Indiase Theravada monnik Batuo (Buddhabhadra), hij was in 464 een van de eerste Indiase monniken die naar China kwamen. Buddhabhadra betekent: >>Man met geweten. In China staat hij bekend onder de naam : Fo Tuo. In India verkeerde hij in gezelschap van 5 anderen. Samen zochten zij naar verlichting binnen het Boeddhisme, maar alleen zijn 5 kameraden bereikten deze in India. Hij verloor zijn vertrouwen niet en zijn kameraden gaven hem het advies om naar China te gaan om daar verlichting te zoeken. Na omzwervingen in verschillende landen kwam hij in China aan, waar hij opgemerkt werd door keizer Xiao Wen. De keizer nam hem aan als beschermeling, en Batuo trok later met hem naar Luoyang. Gezegd word dat hij in deze periode verlichting bereikte. Men zegt Batuo ervan hield om zichzelf af te zonderen in de beboste omgeving van het Song gebergte. De keizer zag dit en bepaalde dat daar, aan de voet van de Shaoshi berg de Shaolin tempel voor hem moest komen. De bouw begon in 495. Alleen een tempel werd op dat moment gebouwd, geen andere gebouwen en nog geen land dat bij de tempel hoorde. De staat zorgde voor de dagelijkse behoeften van de monniken. In de Shaolin tempel deed Batuo aan Hinayana Boeddhisme, een vroege school van Indiaas Boeddhisme dat de nadruk legt op bevrijding vanuit het binnenste van de mens. Pelgrims vanuit de verre omgeving die een devote zoektocht ondernamen waren naar het Hinayana Boeddhisme kwamen in de Shaolin tempel terecht. Sommigen zeggen dat de vechtkunsten al aanwezig waren in de tempel ten tijde van Buddhabhadra. Zij spreken over zijn briljante leerling Seng Chou die met zijn staf 2 tijgers scheidde die met elkaar in gevecht waren. Maar zeker is dit allerminst.
Bodhidharma (Puti Damo in het Chinees, vaak afgekort tot Damo) bezocht in de zesde eeuw de tempel. Zijn leer van de meditatie en yoga vormde de basis van een nieuwe school van Boeddhistische filosofie, Chan genaamd, beroemd geworden als Zen in Japan. Hij leerde de monniken ademhalingstechnieken en lichaamsoefeningen, zodat zij hun strenge godsdienstige leven beter aan konden. Door het vele stilzitten waren de monniken in slechte conditie geraakt. Deze oefeningen kunnen worden beschouwd als de fundamenten van de vechtkunsten, waardoor de Shaolin tempel bekend is geworden. Hij was een mysterieus figuur, zowel op het gebied van Wushu als het Boeddhisme. Veel Zen sekten in Japan, waar zijn naam als Bo Dai Daru Ma: Daruma geschreven word, zien hem als één van hun patriarchen, terwijl anderen hem totaal negeren. Zijn rol in de vechtkunsten is nog meer omstreden dan zijn rol in Chan. Alhoewel hij nooit als hoofd van het Shaolin klooster erkend is, is zijn invloed aanzienlijk en wordt zijn leer in direct verband gebracht met het klooster.
Volgens de legende was hij de zoon van de Koning van Kanicipura (Xing chih) van een kleine stam uit Zuid India. Hij moet geboren zijn rond het jaar 483 en gestorven tussen de jaren 526 en 536, waarschijnlijk in het jaar 532. In sommige verhalen wordt hij Bodhitara genoemd in weer anderen Tarabodhi, zijn meest voorkomende naam is echter Bodhidharma Sardili. De periode voordat hij geboren werd, waren tijden van onrust, zowel in India als in China. India werd aangevallen door de Hunnen vanuit het noorden, zij trokken plunderend door het land. Bodhidharma werd temidden van deze politieke en militaire onrust geboren. Als hij echt een prins is geweest dan moet hij een militaire opvoeding en training gehad hebben, zodat hij zijn vader op zou kunnen volgen in die roerige tijden. Hij was dan waarschijnlijk ook lid van de Ksatryas (militaire) kaste. Als lid van de Ksatryas kaste, moet hij ook de vechtkunst Kalaripayat bestudeerd hebben. De steek waar hij vandaan komt is met name bekend hierom. In het Kalaripayat kent zowel het gewapende als het ongewapende gevecht.
Ondanks dit kwam hij in aanraking met het Boeddhisme, en ging in de leer bij de beroemde leraar Prajnatara, en vanaf dat ogenblik volgde hij de Boeddhistische stroming Sarvastivada (Existential Reality). Prajnatara was de 27ste Boeddha na Mahakasyapa, de eerste discipel van Sakyamuni. Bodhidharma kreeg zijn naam van zijn leraar en werd door hem naar China gestuurd, misschien om zijn bekende tijdgenoot Bodhiruci te assisteren of op te volgen. Prajnatara was een leraar van de Sarvastivada school, dit was een van de proto-Mahayana scholen die opgekomen zijn uit de Theravada. Het verkondigde afwijkende ideeën over het wezen van werkelijkheid en had onderscheidende ideeën over het wezen van de elementen, wat wel en wat niet karmische activiteit veroorzaakte en andere interessante problemen. In die tijd was India volgens de Chinezen het spirituele centrum, omdat het boeddhisme daarvan kwam. Veel van de Chinese keizers stuurden priesters naar India om te studeren en om geschriften mee terug te nemen. Ook inviteerde zij Indiase priesters om in China te prediken. De gehele Chinese wetgeving werd in deze periode op het boeddhisme gebaseerd. 2.1.1.1 Damo naar China. In de tijd dat Damo naar China kwam (ongeveer 527 n.Chr.) was het boeddhisme dus al zeer populair. Keizer Wu Di (keizer van 502 tot 549, van de Liang Dynastie 502-557) was een fanatiek boeddhist. Hij had al andere Boeddhistische leraren opgespoord en deze gevraagd te komen prediken aan het hof, dit alles uit oprechte belangstelling voor het Boeddhisme. De legendes vertellen het volgende over de aankomst van Damo in China: Damo reisde 3 jaar en kwam aan in de stad Guangzhou en werd ontvangen door de gouverneur Xiao Ang. Keizer Wu Di liet ook Damo in Jinling (het huidige Nanjing) op audiëntie komen, waar hij hem op een opsomming van zijn eigen toewijding aan het geloof, door te spreken over de gebouwde tempels, de geïnstalleerde geestelijkheid en de openbaar gemaakte sutra's. Het was een lange lijst maar tenslotte hield hij op, ongetwijfeld verbijsterd door de onverschilligheid van zijn gast. Om een reactie uit te lokken vroeg hij: 'Gegeven dit alles, welke verdiensten heb ik verworven?' Damo fronste het voorhoofd en antwoordde: 'Geen enkele, uwe majesteit'. De keizer stond versteld van dit antwoord, maar drong aan door nog een populaire vraag te stellen: 'Wat is het meest belangrijke principe van het boeddhisme?' Op dit tweede punt moet Damo geantwoord hebben met een abrupt: 'Uitgestrekte leegte'. Ook dit antwoord verbijsterde de keizer en hij vroeg tenslotte in wanhoop wie nu wel de gebaarde bezoeker was, die voor hem stond, waarop Damo opgewekt toegaf daar geen idee van te hebben. Het gesprek eindigde even abrupt als dat het begonnen was, Damo verontschuldigde zich en ging verder. Daarop stak hij de Changjiang rivier net buiten Nanjing op een rietstengelblad over om Noordwaarts te trekken, zegt men. In werkelijkheid zal het op één van veerpond boten zijn geweest die ook nu nog gebouwd zijn in de vorm van een blad. De rietstengel heeft meestal 5 bladeren: deze staan symbool voor de 5 verschillende Chan scholen die later zijn ontwikkeld. In ieder geval zag Bodhidharma in dat de keizer die methodes van deze stroming van het Boeddhisme niet helemaal bevatte en niet hoefde te rekenen op keizerlijke bescherming. Hij trok naar Luoyang, in die tijd een Boeddhistisch centrum in China.
Daarna ging hij naar de Shaolin tempel. Hij moet daar tussen 520 en 527 zijn aangekomen. Na Buddhabhadra is Bodhidharma de tweede belangrijke Indiër die naar de Shaolin tempel kwam. Hij bleef daar negen jaar en introduceerde hier de Indiase Boeddhistische gezondheidsoefeningen en therapeutische bewegingen (Raja Yoga en Prajna Yoga), die later de basis zouden vormen voor Wushu zoals deze ontwikkeld is in het Shaolinklooster.De legende verhaalt dat hij negen jaar in meditatiehouding heeft gezeten om naar het 'schreeuwen van de mieren te luisteren totdat zijn benen afstierven. Door het lange mediteren kreeg hij de bijnaam Heilige die naar de muur gekeerd is. De jaren meditatie bracht hij door in een grot vlak bij de tempel. Deze grot staat nu bekend als de Damo grot.
Omdat hij zo lang voor de muur in de grot heeft gezeten, is zijn schaduw op de steen >>gegraveerd geworden. Tot op de dag van vandaag is zijn afbeelding te zien op deze steen, die bewaard wordt in de 1000 boeddha hal. De steen met daarop de (vage) afbeelding van Damo. Eens viel hij tijdens het mediteren in slaap. De legenden wil dat hij hierover zo ontstemd was, dat hij zijn oogleden afsneed en deze op de grond wierp. Hier ontsproten toen theeplanten uit, die de monniken zouden gebruiken om de slaap te verdrijven. In de negen jaar die hij daar bleef leerde hij Hui Ke het Boeddhisme volgens zijn inzichten en ervaringen en creëerde daarmee de Mahayana school van het Boeddhisme in China. Hij droeg zijn inzichten in de vorm van een exemplaar van de Lankavatara Sutra aan zijn opvolger over en ging vertrok uit het klooster. Wat gebeurde er uiteindelijk met deze reizende goeroe uit India? Stierf hij vergiftigd door een jaloerse monnik, zoals de ene legende verklaart; of trok hij naar Centraal Azië, wat een andere legende wil; of ging hij naar Japan, wat volgens weer een ander verhaal het geval is? Een ander verhaal vertelt dat Damo op 150(!?)-jarige leeftijd stierf op de oevers van de Luohe rivier na enkele malen vergiftigd te zijn. Hij is begraven in Xung er Shan (Berenoor heuvel), waar ter nagedachtenis een pagode is opgericht.
3 jaar na zijn dood kwam een boeddhistische leek, Song Yun, die naar China terugkeerde uit de westerse regionen, waar hij als zakenvertegenwoordiger van de Chinese regering zaken had gedaan, Damo in de bergen (Cong Ling) van Toerkestan tegen. Damo liep blootsvoets met één schoen in de hand. Song vroeg waar hij heen ging, en Damo antwoordde: Naar het Westelijke Paradijs (India). Tevens deelde hij Song mede dat de keizer gestorven was. Toen hij in Luoyang aankwam hoorde hij dat de keizer inderdaad was overleden. Hij vertelde zijn verhaal aan de nieuwe keizer, die opdracht gaf om het graf van Damo te openen. In het graf was slecht een schoen aanwezig. De schoen werd uit het graf gehaald en in de Shaolin tempel bewaard als heilig voorwerp. Sindsdien wordt Damo op tekeningen en schilderijen altijd blootsvoets en met één schoen aan een stok afgebeeld. Chinese schoenmakers hebben om deze reden Damo als hun beschermheilige geadopteerd, en vieren elk jaar zijn verjaardag.
Damo trok maar weinig aandacht tijdens zijn verblijf in China, en het eerste historische verslag van zijn leven is een korte vermelding in een kroniek ( Verdere levensbeschrijvingen van Vooraanstaande Priesters) die meer dan 100 jr. later (+/- 645) werd samengesteld, en waarin hij slechts als beoefenaar van de meditatie werd genoemd. Latere verhalen over zijn leven werden echter steeds meer verfraaid, en langzamerhand werd hij verheven tot de post van eerste patriarch van het Chan Boeddhisme. Zijn leven werd danig verhaald dat hij op bewonderenswaardige wijze aan de behoefte van een legende kon voldoen, door het langzaam aan te vullen met symbolische anekdotes die de waarheid rijker van illusies voorzagen dan de feiten zelf. De latere meesters hadden een afkomst nodig, en hij werd gebruikt voor de rol van eerste patriarch. Het grote probleem met Damo was dat veel van zij ideeën regelrecht tegenstrijdig waren aan de houding die latere Chanleerstellingen aannamen. Herinneren wij ons bijvoorbeeld het vertrouwen op een sutra (de Lankavatara propageerde in bijzonder de nadruk op meditatie) welke regels latere Chanmeesters ontdoken. De geleerde Jezuïïet Heinrich Dumoulin heeft verklaard dat de aan Damo toegeschreven leer in geen enkel opzicht afwijkt van de grote >>Mahayana soetra's. 2.1.2 De Leer die Damo predikte. Het boeddhisme dat Bodhidharma praktiseerde week in sterke mate af van het Boeddhisme van Buddhabhadra. Het is bekend geworden als Chan (Dyana). Boeddhisten moeten zich vasthouden aan de Boeddhistische doctrines, de Boeddhistische sutras reciteren en zich altijd losmaken van de wereldse zaken. Maar het Chan van Bodhidharma was niet hetzelfde als het als bestaande Chan uit India of het in het noorden van China ontwikkelde Chan. Het onderscheidde zich door het zuiveren van de geest om zo de doctrines van het Boeddhisme te aanvaarden. Theoretisch is het gebaseerd op het Madhymika, welke dus verschilt van het Hinayana van Buddhabhadra. De oudste Chanachtige ideeën in China bestonden dus al voor Bodhidharma. Dao sheng (360-434) stelde reeds de plotselinge verlichting tegenover de traditionele leer van de graduele verlichting. In dezelfde boeddhistische gemeenschap als die van Dao sheng leefde ook de leek Liu Chengshi (gest. in 410). In een brief aan de bekende boeddhistische filosoof Seng zhao (384-414) schreef hij: AADe geest van de wijze is donker en stil... alhoewel zijn leven wordt doorgebracht te midden van het noembare, is hij ver weg van al het noembare...". Deze en nog andere teksten wijzen op een geestelijke relatie tot het Taoïïsme, en in feite kan Chan beschouwd worden als een vorm van boeddhisme met taoïïstische inslag. Als taoïïstische elementen in Chan kan men noemen: 1. de nadruk op spontaniteit en natuurlijkheid, en afkeer van alle kunstmatigheid; 2. de nadruk op het feit dat de boeddhanatuur in alle dingen aanwezig is, hetgeen overeen stemt met het taoïïstische idee dat het tao immanent is aan alle dingen; 3. zowel Chan als het taoïsme leggen de nadruk op: de woordeloze leer, de harmonie van de contrasten, de onthechting aan wereldse zaken; de mystieke waardering voor de natuur; 4. ook hun pedagogische methoden zijn verwant; ze maken gebruik van plotselinge verrassing en raadselachtige uitspraken, die als doel hebben mentale kortsluitingen teweeg te brengen, waaruit directe ervaringen kunnen ontstaan; 5. onder tao-invloed staat ook het feit dat de Chan meesters zich losmaken van de Indische afhankelijkheid van heilige schriften, titurgie, gewijde voorwerpen, speculatieve theologie. Hun weg naar de verlichting is direct, concreet en praktisch, waaruit volgt dat hun taal nooit abstract is maar gewone alledaagse omgangstaal. Aangezien het huidige Chan geen belang hecht aan heilige geschriften, noch aan heilige beelden, noch aan de figuur Boeddha zelf, is wel eens de vraag gesteld of Chan nog wel iets met het boeddhisme heeft te maken. De Chanmeesters beweren dat zij inderdaad boeddhisten zijn, daar zij de verlichting, hoofddoel van het boeddhisme, nastreven; en dat schriften, beelden, rituele handelingen etc. slechts rituele handelingen zijn om de verlichting te bereiken, maar dat zij niet zelf de verlichting zijn. En omdat zij dat begrijpen, durven zij zichzelf wel de enige echte boeddhisten te noemen. Traditioneel schrijft men de volgende twee manuscripten ook aan Damo toe: De Yi Jin Jing en de Xi Sui Jing. In de Yi Jin Jing staan de 18 oefeningen van de Luohan genoteerd. Deze 3 samen worden de drie juwelen van Damo genoemd. Het is niet te verifiëren of Damo daadwerkelijk er de auteur ervan is, want de bestaande versies stammen uit een veel later tijdvak. Maar met name de Yi Jin Jing wordt toegeschreven aan Damo. Van meer belang dan de datering en de authenticiteit van de versies van de Yi Jin Jing en Xi Sui Jing is de invloed ervan op het boksen. De oefeningen die in dit werk gedetailleerd worden weergegeven zijn statische en ritmische houdingen. Als men aanneemt dat Damo ze heeft geïntroduceerd maar dit is niet te bewijzen, dan blijven zij verre van Wushu technieken. De Yi Jin Jing leerde de monniken gezond te worden en hun lichamen te veranderen van zwak naar sterk. Deze oefeningen werden later gecombineerd met de vechttechnieken, die hierdoor veel effectiever werden. De Yi Jin Jing heeft een grote invloed gehad op het Shaolin. Vele manieren om lichaamsdelen te harden zijn aan de Yi Jin Jing ontleedt, zoals IJzeren Palm, IJzeren Lichaam en IJzeren Hoofd. Eigenlijk kom elk lichaamsdeel gehard worden. Ook nu nog worden deze praktijken uitgevoerd. In het boek Yi Jin Jing staan zoals eerder vermeld de 18 oefeningen van Luohan, ook wel 18 vuisttechnieken van Luohan genaamd. De bewegingen zijn als volgt genaamd: 1. Kraanvogeldans 2. Drakendans 3. Duwen en tillen 4. Phoenix dans 5. Tijger kijkt askance 6. Lichaam draaien 7. Cirkels draaien 8. Aanvallen en terugtrekken 9. Trekken van de boog 10. Jongen die Avalokitesvara aanbidt 11. Schoonheid in strijdt met een lotus 12. Beer kijkt achterom 13. Plots tillen 14. Mooie kruisende palmen aan de achterkant 15. Verwelkom een gast 16. Olifant staand op achterste benen 17. Boerendans 18. Kraanvogel staat op 1 voet. Damo stelde deze bewegingen samen nadat hij gezien had dat de monniken in de tempel een slecht fysieke gezondheid hadden. Dit werd mede veroorzaakt door het lange stilzitten tijdens het mediteren. De oefeningen zorgen voor soepele gewrichten en een goede fysieke gezondheid. De term Luohan is een bekende term binnen zowel het gewonen Boeddhisme als binnen de vechtkunsten. Luohan (Kung Fu) wordt gezien als de basis en het begin van de daadwerkelijke ontwikkeling van de vechtkunsten binnen de tempel. Later werd de naam gebruikt voor andere series van bewegingen en soms voor een hele stijl.

Binnen het Indiase Boeddhisme is een Luohan (= Arhat in Sanskriet: de Chinezen maakten er via A Luo Han, Luohan van. Rakan in het Japans) iemand die zich richt op het bereiken van het Nirvana, zonder aan iemand anders te denken, dit in tegenstelling tot een Bodhisatva, die het Nirvana opgeeft om anderen te helpen. Binnen het Chinese Boeddhisme is een Luohan een monnik die verlicht is, maar nog niet het nirvana in gaat teneinde anderen te helpen het Boeddhaschap te bereiken: een Bodhisatva dus. In China worden de eerste 16 discipelen van Boeddha gezien als Luohan/Arhat. Daarnaast zijn er ook 2 Chinezen die gezien worden als Luohan, namelijk de eerste 2 discipelen van Damo. Samen zijn dat er 18. Nummer 18 is belangrijk omdat in het Boeddhisme 9 een magisch getal is. Latere ontwikkelingen binnen het Boeddhisme en/of de vechtkunsten van Shaolin waarin getallen een belangrijke rol spelen, zijn de getallen een veelvoud van 9: 18,57,36 en heel vaak 108.
De term Luohan kan dus eigenlijk niet los gezien worden van het Boeddhisme en de Shaolin tempel in het bijzonder. Daarom zijn er ook die de term Luohan (Kung Fu) gebruiken om een hele vechtstijl te omschrijven, al dan niet in combinatie met de naam Shaolin. Vaak staat het synoniem met Shaolin. De Xi Sui Jing zou de monniken leren hoe ze hun beenmerg en bloed kunnen schoonmaken, hun immuunsysteem kunnen verbeteren, alsmede ook de beter gebruik maken van de capaciteiten van de hersenen, wat hun hielp Boeddhaschap te bereiken. Vooral dit laatste was en is nog steeds omgeven met een waas van geheimzinnigheid. Voor de Chinese boeddhisten waren deze twee klassiekers revolutionair, en zoals met vele revolutionaire idëën ondervond het veel tegenstand onder de traditionele boeddhisten. Door de trainingstechnieken van Damo is het Chinese boeddhisten gesplitst in twee groepen die er een verschillende benadering wat betreft het bereiken van verlichting op na houden. Alhoewel de oefeningen door de tijd heen alleen maar binnen de boeddhistische gemeenschap zijn gehouden, weigerden veel boeddhisten deze te gebruiken. De belangrijkste reden hiervoor was dat de meeste monniken niet geloven dat, als je verlichting zoekt, het fysieke deel van je lichaam net zo belangrijk is als het geestelijk deel van je lichaam. Zij geloven dat je geestelijk deel het deel is dat je moet ontwikkelen om het 'eeuwige leven' te bereiken, dus waarom zou je tijd besteden aan het trainen van het fysieke deel van je lichaam? Een andere belangrijke reden is dat de oefeningen in het Shaolin klooster gebruikt werden om vechttechnieken te ontwikkelen. Veel monniken vonden dit geen goede ontwikkeling en alle oefeningen gemaakt om te doden waren per definitie slecht. Het is dan ook zo dat het Shaolin klooster zich volgens vele boeddhisten buiten de wet had geplaatst. 2.1.3 De monnik Hui Ke (487-693) is naast Dao Yu de belangrijkste leerling van Damo en zijn opvolger geworden. Een populaire legende over hoe Damo Hui Ke aannam gaat als volgt:
Hui Ke werd geboren in Wulao, met de familienaam Ji. Zijn originele eigennaam was Guang (Licht), welke hij later zelf veranderde in Shen Guang (Het Licht van God). In zijn jeugd las hij de klassiekers en hield ervan om te reizen in de bergen. Toen hij de Xiangshan tempel in Longmen bezocht werd hij priester in het Boeddhisme. Hij bestudeerde de >>Mahayana== en later de >>Hinayana school. Toen hij 40 jaar was ging hij na een goddelijke ingeving naar de berg Song om onder Damo te studeren. Tijdens de eerste paar keren dat hij Damo bezocht in de Shaolin tempel zag hij hem van >>s morgens vroeg tot >>s avonds laat stil tegen over een muur zitten. Om zijn vastbeslotenheid om als leerling te worden aangenomen en zijn trouw te laten zien bleef hij in de nacht van 8 december buiten in de sneeuw staan, vlakbij waar Damo dagelijks zat. Wachtend tot hij onderricht zou ontvangen bleef hij staan tot in de ochtend de sneeuw hem tot de knieën reikte. Damo zag dit, had medelijden en vroeg of hij iets voor hem kon doen. Niets anders dan mij aannemen als leerling, antwoordde Hui Ke. Damo antwoordde: Wat ik beoefen vraag vele offers aan de beoefenaar. Het is moeilijk voor iemand die niet de wil en de trouw heeft; voor hem zal het slechts nutteloze inspanning en veel lijden zijn. Hui Ke raakte op dat moment verlicht door het antwoord van Damo. Zonder een woord te zeggen nam Hui Ke een scherp mes en sneed zijn linkerarm eraf en schonk deze aan Damo. Deze nam Hui Ke aan als leerling.
Deze legende is de basis geweest van het bouwen van het Lixue Ting (Staan in de sneeuw paviljoen) en het Yang Bi Tai (Helende arm paviljoen) in de Shaolin tempel. Maar het (waarschijnlijk) werkelijke verhaal van Hui Ke gaat als volgt: Hui Ke, ook bekend als Sen Ke, is geboren in de Ji familie te Xinuang. Hij heeft in zijn jeugd vele Boeddhistische sutras gelezen. Sommigen zeggen dat hij een ex- Confucianist was. Toen hij 40 jaar oud was ontmoette hij Damo, die rondreisde in het gebied Luoyang en Songshan. Hij werd zijn leerling en bleef dat 6 jaar lang. Na de dood van Damo leefde hij afgesloten van de samenleving in de buurt van de Luohe rivier. Naar verloop van tijd gingen vele monniken naar hem toe om hem te consulteren. Naar aanleiding hiervan ging hij ook weer de sutras van uitleg voorzien. Zijn leerstellingen bereikten al snel weer alle uithoeken van de streek. Hij reisde naar het noorden naar Ye de hoofdstad van de Oostelijke Wei Dynastie, op een plek ten oosten van het huidige Anyang in de provincie Henan). Hij had toen al een goede reputatie als monnik opgebouwd. Dao Heng is een tijdgenoot van Hui Ke en erg invloedrijk in het noorden van China. Hij was van mening dat het Boeddhisme van Hui Ke aan het afwijken was van het originele Chan en daarom geen juiste basis meer had. Hij stuurde zijn discipelen op Hui Ke af om onrust te stoken. Maar telkens werden zijn discipelen door Hui Ke overtuigd en waren niet langer leerlingen van Dao Heng. Hierdoor werd Dao Heng woedend en zorgde ervoor dat er een moordaanslag op Hui Ke gepleegd werd. Deze mislukte, maar Hui Ke verloor hierbij wel zijn arm en leefde de rest van zijn leven als bedelaar.
In een werk van Sung (in >>Tsi'ing-te tsj'oean-teng-lu ) schrijft dat Damo tijdens zijn verblijf in Shaolin vier discipelen bijeen riep en vroeg hen om hetgeen zij bereikt hadden te laten zien. (De Zengaku Yokan uitgegeven door Segawa Shobu,Japan, 1907 verteld dit verhaal ook) De eerste discipel moet gezegd hebben: 'In mijn opvatting moeten wij niet geheel en al vertrouwen op woorden en letters, noch deze volkomen terzijde schuiven'. Waarop Damo antwoordde: 'Je hebt mijn huid bereikt'. Daarna kwam een non naar voren die zei: 'Zoals ik het zie, is de Waarheid als een veelbelovende blik op het paradijs van Boeddha; het wordt eenmaal en nooit meer gezien'. Waarop Damo antwoordde: 'Je hebt mijn vlees bereikt.' De derde discipel zei: 'De vier grote elementen zijn leeg en de vijf skandha's (bestanddelen van de persoonlijkheid: lichaam, gevoel, waarneming, wil en bewustzijn) zijn niet bestaand. Er is in feite niets dat bereikt kan worden. Hierop antwoordde Damo: 'Je hebt mijn gebeente bereikt'. Ten slotte was het de beurt aan Hui-ke. Hij boog slechts voor zijn meester en bleef zwijgend op zijn plaats staan. Hem gaf Damo het antwoord: 'Je hebt mijn merg bereikt' (Bodhidharma antwoordde door te citeren uit Nagarjuna). Op deze manier heeft Bodhidharma zijn opvolger gekozen. Het boeddhisme van Damo en Hui Ke werd erg populair in het zuiden van China. Sommigen zeggen dat Hui Ke het zelf daar gebracht heeft, anderen zeggen dat het Sen Jie. 2.2 Noordelijke Zhou Na Damos creatie van het Mahayana Boeddhisme veranderde de politieke en geestelijke omgeving in China. Tijdens de Noordelijke Zhou werd er gediscussieerd over het nut Taoïsme en het Boeddhisme, en in 574 besloot keizer Wu Di om het Boeddhisme en het Taoïsme in geheel China te verbieden. Als gevolg daarvan was de Shaolin tempel zo goed als verlaten. De heilige geschriften en afbeeldingen werden door de opvolger van Damo, Hui Ke, en een ene meester Lin tijdens deze roerige tijden bewaard. Met het betreden van de troon door keizer Di Jing was het Boeddhisme al snel weer legaal en de Shaolin tempel werd weer bewoond en kreeg een nieuwe naam: de Zhigu tempel. 2.3 Sui Dynastie In een poging de nieuw opgerichte dynastie te ondersteunen besloot Yang Jan, keizer van de Sui Dynastie (581-618) het boeddhisme aan te moedigen. Er moesten tempels komen aan de voet van elk van de 5 beroemde bergen van China: Taishan, Huashan, Noordelijke Hengshan, Zuidelijke Hengshan en Songshan. Als gevolg hiervan kreeg in de vroege jaren tachtig van de 6e eeuw kreeg de Shaolin tempel weer zijn eigen naam terug. Daarbij kreeg de tempel 100 qing (ongeveer 667 hectare) land toegewezen in Baiguwu, wat ongeveer 25 ten noordwesten van Shaolin ligt. In deze tijd werden verschillende hallen, paviljoenen en pagodes gebouwd rond de tempel. De rijkdom van de Shaolin tempel groeide. Aan het einde van de Sui dynastie was situatie erg chaotisch in het Chinese rijk. De rijkdom van de tempel trok uit omliggende bergdorpen boeren aan die de tempel aanvielen. Hierbij braken zware gevechten uit tussen de boeren en de monniken waarbij alle gebouwen rond de tempel verwoest raakten, op een pagode na. Dit was de eerste van de vele aanvallen op de tempel in zijn 1000 jaar lange geschiedenis. Misschien was deze aanval het startsein voor de systematische ontwikkeling van de vechtkunsten in de tempel.
2.4 Tang Dynastie
Het begin van de Tang was het land in chaos; overal in het land waren veldslagen aan de gang. In mei 614 kwam Li Yuan, ten koste van Keizer Yang You van de Sui Dynastie, aan de macht en stichtte de Tang Dynastie. De Tang dynastie was erg belangrijk voor ontwikkeling en de bloei van de Shaolin tempel. Tijdens de gehele Tang dynastie werd de tempel continu uitgebreid met behulp van de keizerlijke overheid. In die zelfde maand werd er een plan gesmeed om de Sui weer te herstellen. Voormalig garnizoen commandant van Luoyang Yuan Wendu steunde samen met generaal Wang Shichong, Yua Wang Tong teneinde de nieuwe Tang Dynastie weer omver te werpen. In april van het volgende jaar onttroonde Wang Shichong Yua Wang Tong en stichtte het land Zheng en kroonde zichzelf tot keizer. Na keizer geworden te zijn stuurde hij troepen naar de omgeving van de berg Song en Luoyang om die regio te veroveren. Ook het landhuis van Baiguwu, dat tijdens de Sui Dynastie aan de Shaolin tempel geschonken was, werd bezet. Deze plek had een belangrijke strategische functie. Vanaf Baiguwu leidde Wang Shichong zijn strijd tegen de troepen van de Tang dynastie. In 1620 leidde prins Li Shimin zijn troepen, na Song Jingang en Liu Wuzhou verslagen te hebben en de gebieden Mingzhou, Bingzhou en Xiaxian veroverd, naar de troepen van Wang Shichong. Tegen die tijd had Wang het Songshan-Luoyang district al stevig in handen en had de controle over Yinzhou, Dengzhou en enkele andere steden. Daarnaast was Tian Zan, een militaire officier van de Tang, overgelopen naar Wang, zodat de positie van Wang nog verder versterkt werd. In 621 vocht prins Li Yuanji onder leiding van en neef van Li Shimin tegen Wang, maar werd verslagen. Op dit kritieke moment verscheen plotseling het hoofd van de Shaolin tempel Zhi Cao met gewapende monniken en viel Wang in de achterflank aan. Deze verrassingsaanval overweldigde de troepen van Wang en zijn neef Wang Renze werd levend gevangen en naar het kamp van de Tang troepen overgebracht. Deze militaire operatie moedigde de troepen van de Tang Dynastie aan. Tijdens de gevechten bleken 13 monniken , waar onder; Jin Cao, Hui Yong en Tan Zong, op te vallen door hun prestaties. Later liet Li Shimin (die toen keizer Li Yuan, ook bekend als Taizong, geworden was) de leidende monniken op audiëntie komen en beloonde de tempel met het privilege een strijdkracht van vechtende monnik soldaten op te leiden en schonk vele huizen en landerijen. De tempel kreeg 40 qing (267) hectare land toegewezen. De keizer wilde de 13 monniken ook persoonlijk belonen, maar op een na weigerden zijn de beloningen. Die leider ontving de militaire titel van Da Jiangjun (Generaal). Naast de landerijen en het privilege schonk de keizer de tempel ook een gift van wijn en vlees en de daarbij behorende ontheffing om de spijzen te nuttigen. Ze zijn sindsdien wijn en vlees blijven gebruiken, dus hebben ze definitief gebroken met de vegetarische leer van de boeddhistische godsdienst. Sinds die tijd liggen ze uit de gratie bij traditionele boeddhisten. . De reden dat de Shaolin tempel de Tang troepen hielp is dat Wang Shichong door zijn bezetting van Baiguwu de belangen van de tempel aantastte en de tempel de het volgende bastion was dat veroverd zou gaan worden. Het was deze bedreiging dat de monniken aanzette tot de strijd. In 728 werd een plaquette opgericht waarop de gebeurtenissen uiteen gezet worden. Li Shimin dicteerde aan de hoofdmonniken de tekst op de 30ste dag van de de 4de maand van het vierde maand sinds het begin van de regering van Li Shimin (621). De tekst bestaat uit 39 regels met elk 8 karakters. keizer beloonde de monniken maar door een plaquette, waarop de gebeurtenissen zijn vastgelegd. Deze plaquette is nog te zien bij het klooster. Van de gevechten is tevens een muurschildering gemaakt, die nog steeds in de tempel bezichtigd kan worden.
Toen de keizer Li Yuan (618-627) definitief aan de macht was kwam er langzaam weer vrede in het rijk. Monnik Shan Hu, die als eerste voor de Tang gevochten had, zag de deplorabele staat van de Shaolin tempel en schreef een brief aan Li Yuan, waarin om de restoratie van de tempel vroeg. Dit was het begin van de herbouw van de tempel met de steun van de keizerlijke regering. De Chang Zhu Yuan, ook wel het eigenlijke tempelcomplex genaamd, heeft zijn vorm gekregen in de Tang Dynastie. Het is een binnenplaats waar de monniken religieuze handelingen verrichten. Het complex ligt aan de noordelijke oever van de Shaoxi. Vanaf de ingang tot het gebouw aan de achterzijde bedraagt de afstand 300 meter. In totaal beslaat het oppervlakte 40.000 m2. Voor elke hal is een korte trap; hierdoor is het mogelijk dat er 25 meter hoogte verschil is tussen het begin en het einde van het terrein. Het Pagode Park en de Shangfang Puguang Tang (De hal van de genade van >>t Boeddhisme) werden erbij gebouwd. In november 723 werd Zhang Sui, een beroemde monnik en astronoom, opgedragen binnen het tempelcomplex een Boeddhistisch paleis te bouwen. Vanaf dat moment veranderde het gehele aanzien van de Shaolin tempel. Vele keizers van de Tang dynastie bezochten de berg Song en de Shaolin tempel. En zij schonken de tempel vaak kostbaarheden of door hun geschreven gedichten en uitspraken op stenen plaquettes en zuilen. Keizer Li Xian gaf de titel Monniken met grote Verworvenheden aan een groep van tien man in de tempel. Deze groep van tien moest voor eeuwig blijven bestaan. Als er iemand weg zou vallen dan zou deze vacature opgevuld moeten worden iemand van dezelfde tempel. Vele monniken werden beroemd door het gehele rijk en hadden vaak banden met de keizerlijke families van de Tang. De beroemdste monnik van de gehele Tang dynastie was Tong Guang. 907-960) De Vijf Dynastieën (907-960) was een korte episode in de geschiedenis van China, maar heeft belangrijke sporen achtergelaten in de Shaolin tempel. Zoals de pagode voor de monnik Fa Hua uit 926. Hij was hoofd van de tempel van het einde van de Tang tot het begin van de Vijf Dynastieën Wanneer was die grote boeddhisten vervolging precies ? Na de Boeddhisten vervolging van keizer Wu Zong (Li Yan) 30 jaar geleden was de tempel weer in slechte staat geraakt, en Fa Hua zamelde geld in voor weer een restauratie van de tempel, die drie in beslag nam. Tijdens de grote boeddhisten vervolging werden ongeveer 4600 grote en 40.000 kleine tempels verwoest. Gedurende de restauratie keerden de monniken uit de omgeving terug. In 925 stierf Fa Hua en werd een pagode ter ere van hem opgericht, tevens als herinnering van de verwoestingen van de Boeddhisten vervolging. 2.6 De Song (960-1279) en de Jin (1115-1234) dynastieën Tijdens de Song (960-1279) en de Jin (1115-1234) dynastieën bleef de Shaolin zijn gebouwen en land houden. Gebouwen uit deze tijd zijn de hoofdhall in het Bodhidharma Paviljoen en de pagodes ter ere van de Song en Jin Dynastieën Met name uit de Jin dynastie zijn veel overblijfselen te vinden zoals verschillende pagodes in het Woud van Pagodes, de beelden van de Chan meesters, en de zuilen en ijzeren bellen die in de Chang Zhu Yuan (wat betekend dit eigenlijk?).
Sommige monniken hadden naast hun leven in de tempel ook ambtelijke functies in de keizerlijke regering. Zoals bijvoorbeeld Yu Gong die na door keizer Xian Zong (1246-1249) om hulp gevraagd was inzake staatszaken, de titel Da Si Kong ontving. Da Si Kong is een onderscheiding op ministerieel niveau. Men zegt dat Yue Fei, een bekende patriottische generaal uit de Song, eens de 18 bewegingen van de Luohan nam en de bewegingen veranderde in Ba Duan Jin (8 Gracieuze Bewegingen). Ba Duan Jin is in de jaren er na gebruikt als basis training in de Shaolin tempel. De eerste keizer van de Song Dynastie, Zhao Kuangyin, was een liefhebber van Wushu en hij ontwikkelde vele bewegingen. Zijn boeken over Wushu liet hij bewaren in de Shaolin tempel. Zhao Kuangyin 36-delige Chang Quan en Apenstijl ontstonden in de Song Dynastie. 2.7 Yuan Dynastie In de Yuan, Ming en de vroege Qing werd de status van de Shaolin tempel verder verhoogd. De tempel stond toen bekend als >>Shaolin Tempel, de geboorteplaats van het Boeddhisme en >>de Grote Shaolin tempel. In de Yuan dynastie lieten veel bekende geleerden hun inscripties voor eminente monniken achter op de stenen tabletten in de omgeving van de tempel, dit gebeurde voor en na deze periode ook. Ten noorden van de Tianwang Hal stond de Drum Tower en ten zuiden, tussen de Tianwang Hal en de Daxiong Hal in, de Bell Tower. De Bell Tower was een van de grootste gebouwen van het tempelcomplex. Nu is hij alleen nog op schilderingen in de White Garment Hal te zien. De toren was meer dan 33 meter hoog, 9x15 meter en bestond uit vier lagen. De bel van meer dan 2 meter hoog en met een gewicht van meer dan 5500 kg stortte tijdens de brand van 1928 naar beneden en rust nu nog op de ruïnes van de toren. Toen hij nog hing was hij op een afstand van 15 kilometer te horen. De Drum Tower stond tegenover de Bell Tower . Hij werd gebouwd tijdens de regeringsperiode van Keizer Cheng Zong in 1300.
Er is nu niet veel meer van over, slechts enkele ruïnes herinneren aan het gebouw. De foto's die er van zijn, de beschrijvingen in teksten en de schilderingen laten zien dat het een mooi gebouw was. Tussen de Drum en Bel Towers in staan enkele tabletten. Op een daarvan staat een afbeelding van Bodhidharma die de Changjiang (Yangtze) oversteekt op een rietstengel gemaakt in 1624 door de gouverneur van Henan Lang Jianting. De afbeelding is gebaseerd op de legende die verhaalt over de reis van Bodhidharma naar de Shaolin tempel. Binnen het tempelcomplex zijn verschillende afbeeldingen uit de Yuan en de Ming te vinden maar deze is het meest expressief en representatief. De afbeelding laat zien dat de rietstengel 1 bloem en 5 bladeren heeft. Dit staat symbool voor het feit dat de Chan sekte later in 5 hoofdstromingen verdeeld is geraakt. De afbeelding is te zien bij 2.1.1 Bodhidharma of Puti Damo, zijn leer en de legendes.

Yu Gong, ook wel Grote Meester (Fu Yu) genoemd werd, tijdens het begin van de Yuan dynastie de leiding kreeg over tempel had deze nog sterk te leiden onder gevolgen van de oorlog die het gevolg was de wisseling van de macht. Ook deze nieuwe keizerlijke regering besloot om de Shaolin tempel te steunen. Onder leiding vond de derde wederopbouw van de tempel plaats. Maar aan het einde van de Yuan vond er een grote brand plaats, welke wederom grote schade aanrichtte binnen de tempel. Uit deze periode zijn veel bekende monniken gekomen: o.a. Yu Gong >>De grote meester, Meester Xi An, Meester Feng Lin and de Japanse monnik Shao Yuan (Shoogen) uit de Yuan dynastie. Grote ontwikkelingen binnen het Shaolin vonden plaats in het einde van de Jin en het begin van de Yuan Dynastieën. Een aantal grote meesters systematiseerden de stijlen en leerden deze aan een nieuwe generatie binnen Shaolin. Onder deze meesters speelden Bai Yufeng, Jue Yuan en Li Sou een belangrijke rol. Jue Yuan was een leek die een fanatiek beoefenaar was van Wushu. Nadat hij monnik was geworden in de Shaolin tempel besteedde hij al zijn tijd aan het bestuderen van Wushu. Vanuit de verre omgeving kwam men naar de tempel om van hem te leren. Maar hij was te bescheiden en nam geen leerlingen aan, integendeel, hij verliet Shaolin, verkleedde zich als een leek en ging zelf op zoek naar bekende meesters. In Lanzhou, in de provincie Gansu, ontmoette hij een oude man Li Sou genaamd. Hij kwam uit Henan en was zeer bedreven in de gevechtskunsten. Toen ze elkaar hadden leerden kennen trokken zij naar Louyang. Li Sou introduceerde Jue Yuan bij Bai Yufeng. Bai was op dat moment ongeveer 50 jaar oud, maar was toch steeds gezond en sterk. Hij nam Jua Yuan aan als leerling en zij trokken samen naar Shaolin. Daar werkten zij samen aan de ontwikkeling van het Shaolin Quan. Bai Yufeng nam >>De 18 oefeningen van Luohan en breidde het aantal bewegingen uit van 18 naar 72, daarna tot 173. Hij verzamelde lossen bewegingen en fragmenten van bijna vergeten sets en reorganiseerde en perfectioneerde deze. Hij creëerde ook het Vijf Imitaties Boxen naar de Vijf Dieren Oefening van Hua Tuo, een beroemde dokter uit de periode van de 3 Koninkrijken (220-265). De Vijf Dieren Oefening was een soort fitness programma waarbij bewegingen van tijgers, herten, beren, apen en vogels geïmiteerd werden. Bij het Vijf Imitaties Boxen werende bewegingen van draken, tijgers, luipaarden, slangen en kraanvogels. Ook Li Sou was zeer getalenteerd in de vechtkunsten, met name in het Da Hong Quan en het Xiao Hong Quan (Het Groot en Klein Rood Boxen) en stokoefeningen. Zijn vechtkunsten werden door velen geleerd in de Shaolin tempel. Onder toezicht en in samenwerking met zijn leraar Bai Yufeng en andere meesters, deed Jue Yuan zijn best om de vechtkunsten in de Shaolin tempel nieuw in leven te blazen. Later stonden in de Shaolin tempel een aantal bekende boxers op, w.o. Hong Yi, Yi Guan, Deng Yin en Du Zhang. Allen droegen bij aan de ontwikkeling van de vechtkunsten van het Shaolin klooster.
In de vroege Ming Dynastie startten de grootschalige restauratie werkzaamheden. Deze restauratie bepaalde voor een belangrijk deel het voorkomen van de huidige tempel. De gerestaureerde gebouwen zijn o.a. Cang Jing Ge en de Qian Fo Ge. Van de honderden pagodes en zuilen die in de tempel te vinden zijn, zijn die uit de Ming Dynastie het talrijkst.
De Li Xue Ting (Standing in snow bower) staat op de plek waar de 2de heilige Shen Guang zou hebben gestaan, wachtend in de sneeuw tot Damo hem aan zou nemen als leerling. Binnen het gebouw staat een bronzen beeld van Damo in een altaar. Boven dit altaar staat geschreven: Xue Yin Xin Zhu: Deepest piety Imprinting Snow. Geschreven door keizer Qian Long van de Qing Dynastie. Nu word het gebouw gebruikt door de monniken om religieuze diensten uit te voeren. Een koperen bel (gegoten in 1589) een trommel en bedel kom worden er binnen bewaard. De muren zijn versierd met een 60 centimeter hoge afbeelding van Guanyin en een eulogie van haar. De afbeelding van Guanyin is erg gedetailleerd en een van de mooiste afbeeldingen in de tempel.
De Duizend Buddha hal ook wel Pilu Paviljoen genaamd staat ten noorden van de Li Xue Ting en is gebouwd in 1588 van materialen die vrij kwamen na ontmanteling van verschillende gebouwen in opdracht van Keizerin Dowager Ci Sheng. 2 keer gerestaureerd in 1639 en 1775 waarbij de originele architectonische structuur behouden is gebleven. Het gebouw bestaat uit 3 kamers en is van binnen rijkelijk versierd met bekende motieven. In het midden van de hal zit Buddha Pilu op een troon van lotusbloesems, in andere kamers staan nog beelden van Amida Buddha en Dharma.
Op de oostelijke, westelijke en noordelijke muren staat een schildering van 320 vierkante meter. 500 arhats aanbidden Pilu is de naam van de schildering, compleet met bergen, water, drijvende wolken en mist. De 500 afbeeldingen worden gepresenteerd in 3 lagen. Sommige van de arhats onderdrukken draken en draken, anderen praten gezellig met elkaar en anderen luisteren in stilte naar hun meester. De kwaliteit van de schilderingen zijn hoog en zijn uniek in China. Geen inscriptie is te vinden op de schilderingen over de datum waarop ze gemaakt zijn maar velen denken dat zij in de Ming zijn geschilderd.
In deze tijd was de zogenaamde Cong Dao (zie toelichting in Boeddhisme) school binnen het Chan Boeddhisme een snel opkomende stroming. Ook binnen het Shaolin klooster was de invloed van deze richting merkbaar. Deze richting wordt gezien als >>De Orthodoxe.
In deze tijd moest de hoofdpriester worden aangewezen via een keizerlijk edict. Een speciale administratieve sectie werd binnen het hof opgezet om de zaken aangaande de monniken centraal te regelen. Op een van de zuilen bij het klooster staat: De Ming Dynastie verenigde China. Een organisatie voor kloosterzaken is opgezet om de Boeddhistische leerstellingen te verenigen. Hieruit bleek nog maar weer eens dat de keizer een wereldlijke en hemelse functie had.
Tijdens het begin van de Ming Dynastie verschenen er regelmatig gewapende Japanse piraten langs de zuidoost kust van China. De Ming overheid onderhandelde met Japan over deze situatie, tevens versterkte zij hun troepen in de getroffen gebieden. Tijdens de heerschappij van keizer Jia Jing (de 12de keizer van de Ming), beantwoorde monnik Yua Kong van de Shaolin tempel aan de oproep en leidde een groep van 30 met ijzeren stokken gewapende monniken teneinde de Japanners in Songjiang te weerstaan. In de gevechten vochten zij moedig en doodden vele piraten, maar uiteindelijk werden zij allen gedood in de strijd voor hun vaderland.
In 1552 werd nog een Shaolin monnik, Can Gong, door de keizer gesommeerd 50 andere monniken te leiden in de strijd, waarna hij door de keizer geprezen werd. Deze en andere incidenten zijn vastgelegd in de stenen zuilen in het >>Zuilenbos en het >>Pagodebos. De Shaolin tempel heeft dus vaak voor het vaderland gestreden, maar zij hebben ook tegen de lokale boerenbevolking, welke zij exploiteren, gevochten. Beroemde monniken uit de Ming dynastie: monnik Song Ting, Meester Yue Zhou, Meester Xiao Shan en Meester Wu Yan Dao Gong.
In het begin en het midden van de Qing Dynastie bleef het klooster zijn omvang en status uit de Ming houden. Het keizerlijke hof behield controle over alle zaken aangaande het klooster. Speciale fondsen werden aangelegd om de verbouwingen en uitbreidingen, die onder leiding van een speciale ambtenaar van het hof uitgevoerd werden, te financieren. De keizer hadden zoveel aandacht voor de tempel en de herbouw ervan dat zij zelfs de projecten kwamen inspecteren. Keizers Kang Xi en Qian Long zetten persoonlijk hun handtekening op de toegangsborden van de Tianwang hal, Chu Zu Dian, San Shi Fo Zu Dian (De Derde Heilige hal), Oilu hal en het Dharma paviljoen. Toen keizer Qian Long in 1750 het Song gebergte bezocht verbleef hij in de tempel en schreef een gedicht dat nu terug te vinden is in een zuil als een herinnering aan zijn bezoek. Keizer Yin Zheng (aan de macht 1723-1735) vond dat de slaapvertrekken te ver van het centrum van de tempel waar de Chang Zhu Yuan was. Dus hij besliste dat de slaapvertrekken van de monniken bij de centrale hallen moesten komen. Hiervoor werd hout gebruikt dat kwam van de bomen die voor de tempel stonden. Deze bomen werden in de Ming dynastie gepland door monnik Dao Gong. Veel hallen en paviljoenen zijn herbouwd tijdens de vroege Qing dynastie. De belangrijkste restauratie werd uitgevoerd in 1735 nadat gouverneur Wang Shijun de keizer voorstelde dat hij een ambtenaar zou aanstellen om de werkzaamheden te superviseren. Bij zijn verzoek voegde gouverneur Wang ook een algemeen restauratieplan. Tijdens de regeringsperiode van keizer Yongzeng werd in 1735 de nu wereldberoemde ingangspoort van de tempel gebouwd. De ingang bestaat uit 1 hoofdingang en 2 kleinere zij ingangen. De hoofdingang is gebouwd op een 2 meter hoog terras welke bestaand uit bakstenen. De ingang zelf heeft single leaves en heeft een rijk versierd zadeldak. Boven de ingang hangt een bord (90 x 193) met 3 vergulde karakters: SHAO LIN SI, keizer Kang Xi heeft zijn persoonlijke zegelafdruk boven het karakter LIN gezet. Het zegel bestaat uit de volgende woorden: Kang Xi Yu Bi Zhi Bao; Keizer Kang Xi heeft begunstigd door persoonlijk hierop te schrijven. Volgens The History of Shaolin Temple hing het bord eerst boven de ingang van de Tianwang Hal: het is verplaatst naar zijn huidige plaats nadat de hal was afgebrand. Als men het bord goed bekijkt, dan ziet men dat de onderkant van de karakters SHAO en SI niet harmonieus zijn met de bovenkant van deze karakters. Dit is het resultaat van latere herstellingen. Het is al een wonder dat het bord de brand overleefd heeft.
Voor de ingang staat de 2 klassieke waakleeuwen, die symbolisch de ingang bewaken. Elke leeuw is 1.67 meter hoog en staan op een verhoging van 1.75 hoog. Nadat men de hoofdingang binnen is gegaan, kan men het grote glimlachende beeld van Maitreya zien. Achter dit kleien beeld staat de beschermer van het boeddhisme Wei Tuo (Skanda). Achter de ingang staat het bos van stelae. Gedurende de gehele geschiedenis van de tempel zijn deze neergezet. Aanleidingen waren gebeurtenissen die met de tempel of zijn inwoners te maken hadden en stelae met gedichten al dan niet over de Shaolin tempel. Bijvoorbeeld voor het bouwen van de Shaoxi brug, restauratieprojecten, voor beroemde monniken, natuurschoon in de omgeving of bezoeken van beroemdheden. Onder de invloedrijke monniken in Shaolin tijdens de Qing dyanstie was meester Bi An Kuan. Hij werd tot hoofdpriester gekozen door de monniken Shun Gong, Lin Gong en Jou Ru en door een keizerlijke verordening. De White Garment Hall staat ten oosten van de 1000 Buddha Hal en werd in de Qing dynastie gebouwd. In deze hal werden martiale schilderijen op de muren aangebracht. Die zijn 200 tot 350 jaar oud en laten de ontwikkeling van het Shaolin Wushu. Er zijn twee grote schilderingen op de noordelijke en zuidelijke wand van de hal. De noordelijke laat het ongewapende gevecht zien van 16 monniken. In een groep staat een monnik, in legendes bekend als Zhen Ju, tegenover 3 andere monniken. Een daarvan ligt neergeslagen op de grond, terwijl de anderen niets anders kunnen doen dan zijn continue aanvallen pareren. Naast het wushu staan ook gebouwen van de tempel afgebeeld op de schilderingen. De Drum Tower, Bell Tower en het hoofdgebouw en bijgebouwen staan afgebeeld en dienen nu als belangrijke informatie bron voor de restauratiewerkzaamheden. De zuidelijke laat zowel de gewapende als de ongewapende strijd zien. De monniken staan in 15 groepen te trainen. De getoonde wapens zijn stokken, hellebaarden, speren, dolken, zwaarden etc. Op de achterkant staat een schildering die verdeeld is in 4 delen. De noordelijke hoek laat het verhaal van de monniken Zhi Cao, Tan Zong en 11 anderen die keizer Li Shimin redden in de vroege Tang dynastie. De zuidelijke laat zien hoe een stoker zijn opwachting maakte en opstandige boeren verjaagde. Deze 2 laten een duidelijke politieke betrokkenheid van de monniken zien. Daarnaast zijn er nog afbeeldingen te zien van Wenshu (Bodhisattva Manjusri), en Puxian (Bodhisattva Samantabhadra) Door deze schilderingen heeft deze hal de bijnaam Quan Ou Dian gekregen: Hal der Pugilisten. Een beeld van White Garment Boddhisattva in een altaar staat in de hal. Naast het altaar zijn nog afbeeldingen te vinden van 2 Arhats die draken en tijgers temmen. Deze laatste 2 afbeeldingen zijn van een veel hoger niveau dan de grote zuidelijke en noordelijke. Het is waarschijnlijk dat ze een tamelijk waarheidsgetrouw beeld geven van de sfeer van de gevechtsoefeningen in de Shaolin Tempel. De schilderingen suggereren een ingewikkelde organisatie en deze indruk wordt bevestigd door andere bronnen. Er waren duidelijk verschillende klassen monniken, waaronder dichters, meesters van de gevechtskunsten, monniken die de gehoorzaamheidgelofte hebben afgelegd en de fijnproevers.
In 1830 werd een brug gebouwd over de Shaoxi, op advies van de monniken De Wu en Ji Wen. De brug kwam in de plaatst van een oudere die door overstromingen weggevaagd was. Maar ook deze brug hield het niet lang uit; 10 jaar later was ook deze brug zwaar beschadigd. Rond 1846, tijdens keizer Xuan Zong, is de brug over de Shaoxi rivier aangelegd. De brug heet de Shaoyang brug, maar staat eenvoudigweg ook wel bekend als de Shaoxi brug. Hij is 60 meter lang en komt 5,55 meter boven het water uit. Een arch (boog?) van 4,29 hoog verdeelt de brug in tweeën. De arch is versierd met een draak. In de late Qing was de tempel in een neerwaartse spiraal geraakt. Er zijn 2 punten die door de toenmalige regering werden aangegeven als belangrijkste oorzaken: 1. Doordat de priesters faalden in het behoorlijk besturen en leiden van de tempel werd deze regelmatig lastig gevallen of beroofd door plaatselijke leiders, soldaten en zelfs misdadigers. Ook werd de tempel afgeperst door de plaatselijke landbeheerders. 2. Enkele van de monniken misdroegen zich en begingen allerlei misstappen. De proclamatie gemaakt in maart 1843 onthulde allerlei zaken betreffende misstanden binnen de tempel. Het eiste dat de Shaolin tempel als een bekende en gerespecteerde tempel de Boeddhistische en kloosterlijke disciplines zou naleven. Daarnaast werden de hoofdpriesters regelmatig in verband gebracht met bekende criminele organisaties en zij zouden tevens misdadigers verbergen in de tempel. De priesters nodigden elkaar uit voor drank en gokpartijen en zouden zich zelfs bezighouden met prostitutie. Het verval van de tempel greep veel mensen in geheel China, w.o. bekende dichters, aan. Daarnaast werden ook vele belangrijke historische relikwieën grote schade toegebracht. 2.9 De Republiek (1912-1949) Vanaf de late Qing tot aan de periode van de Republiek (1912-1949) bleef de tempel in dezelfde depressieve toestand. Met name na een chaotische oorlog in 1928 waarna de tempel nog verder verlaten werd: hallen en paviljoenen vielen langzamerhand uit elkaar vanwege achterstallig onderhoud, brokstukken lagen overal en bijna alle muren van de binnenplaats lagen omver.
Het jaar 1928 is dus een belangrijke in negatieve zin voor de tempel. Een lokale bandietenleider warlord, Shi Yousan genaamd, viel de tempel aan en stichtte brand. Drie gebouwen die bekend stonden als >>De Drie Grote Hallen brandden af. Deze drie waren: de Tianwang Hal (Hal van de hemelse prinsen) de Daxiong Hal en de Cangjing Ge. Men zegt dat de brand in totaal 40 dagen duurde; ook andere gebouwen gingen in vlammen op. Het is niet bekend wanneer deze gebouwen neergezet, maar de Hal van de hemelse prinsen was gebouwd in de Qing stijl. De vier hemelse prinsen is een legende uit de Indiase Boeddhistische mythologie. In elke hoek van het gebouw stonden 1 van hen; zij beschermen elk een kwart gedeelte van de aarde. In de vroege Qing hing een boord boven de ingang met daarop 6 karakters die vermeldden: >>Originele geboorteplaats van het Boeddhisme. Daarnaast werd in 1704 het bord dat nu boven de ingang hangt: SHAO LIN SI, gehangen. Nu resten alleen 30 versierde pilaren en de stenen toegangspoort van het gebouw.
De Daxiong Hal was centrum van de tempel waar veel belangrijke rituelen werden uitgevoerd. Ook dit gebouw had een bord met inscripties van keizer Kang Xi. De resten van het gebouw geven aan dat het misschien in 1169 werd gebouwd. De Cangjing Ge (Hal van de Boeddhistische sutras) ook wel Dharma Hal genoemd. De sutras op koperen platen werden hier bewaard alsmede de steen met daarop de schaduw van Damo. In deze periode waren er slechts nog enkele tientallen monniken over, maar zij bezaten nog wel steeds veel land en beboste gebieden. Een grote meerderheid van de boeren in de omgeving werkten op land dat zij huurden van de tempel. Zij werden door de monniken onderdrukt en uitgebuit. In de bergen in de omgeving verschuilden zich vele bandieten, zodat maar weinig mensen door de deze streek reisden. Toen in 1944 de Japanners in Henan aankwamen verbranden zij huizen, vermoordden mensen en plunderde de omgeving van de berg Song. Niet alleen vernietigden zij historische relikwieën maar zij verkrachtten ook de vrouwen, voor de ingang van de tempel! Generaal Pi Dingjun en zijn mannen werden naar de berggebieden gestuurd door de Communistische Partij. Eind 1944 heroverde hij het vliegveld van Dengfeng en bevrijdde 20.000 dwangarbeiders in het gebied. Na de bevrijding bracht ook hij een bezoek aan de Shaolin Tempel. 2.10 De Volksrepubliek Na de nationale bevrijding in 1949 kreeg elke monnik die wilde blijven een stuk land en gereedschap toegewezen, zodat zij voor zichzelf konden zorgen. Alhoewel het gehele land in slechte economische toestand verkeerde, maakte men toch geld vrij voor de herstelwerkzaamheden in de tempel. Na het herstel van de hoofdingang van de tempel in 1974, maakte men in 1979 voldoende geld vrij in het kader van de reservering van cultureel erfgoed om een algehele restauratie van de tempel mogelijk te maken. De Duizend Boeddha Hal, de Di Zang Hal, Pagode Park en de Li Xue Ting werden gerenoveerd. Vanaf 1980 was het weer toegestaan Boeddhistische rituelen uit te voeren en de tempel kwam weer tot bloei. Met het toenemen van het toerisme in China is de Shaolin Tempel uitgegroeid tot een populaire attractie voor binnen- en buitenlandse toeristen. Er bestaan een gezegde dat luidt: 'Alle vechtkunsten die onder de hemel bekend zijn, begonnen in Shaolin. Dit is natuurlijk wat overdreven, maar zoals alle Chinese gezegden zit er wel een kern van waarheid in. China is een immens land en heeft al duizenden jaren een enorme bevolking. Het land zoals wij dat tegenwoordig kennen is samengesteld uit een mengeling van mensen met heel verschillende taalkundige en culturele tradities. Bovendien hebben vele inheemse Chinese volken zich eeuwenlang geïsoleerd van elkaar ontwikkeld. We stellen de zaken wel heel erg eenvoudig voor als we zeggen dat alle Chinese vechtsystemen het resultaat zijn van de traditie van één tempel. Velen beweren dat boksen en boeddhisme niet samen kunnen gaan. Dit is zo en toch eigenlijk weer niet. Het boeddhisme verbiedt het toebrengen van schade aan levende wezens maar dit verbod is strijdig met het edict tegen intolerantie. Tolerantie is eeuwenlang de kracht van het boeddhisme geweest. Vandaar ook dat opstandelingen zich in veraf gelegen kloosters konden nestelen en zo het gevaar ontlopen. En het was dezelfde tolerantie die de Shaolin gemeenschap het boksen en de wapentraining meer dan duizend jaar deed accepteren. Hoewel de boksannalen vele beroemde monniken vermelde, is het waarschijnlijk dat velen van hen op de eerste plaats boksers waren die tussen de monniken leefden zoals zovele niet ingewijden.
Het blijft verwonderlijk dat het vredige Boeddhisme het Wushu omarmd heeft en dat het Shaolin klooster, geboorteplaats van het Zen boeddhisme, bekend staat om zijn vechtkunsten. Het klooster lag en ligt ver van de bewoonde wereld en het was zeker in vroeger tijden belangrijk om je goed te kunnen verdedigen. Alleen als je gezond en sterk kon men overleven. Dus alleen maar mediteren is niet genoeg om te overleven! Zij gingen zelfs zover dat zij wapens gingen gebruiken om zichzelf te verdedigen. Hoe kan het zijn dat zij zich gingen trainen in het doden van mensen, terwijl de monniken juist een vredig leven moeten leiden? Sommigen zeggen dat diegenen die door de monniken gedood werden, geen mensen maar eigenlijk demonen waren. In de Boeddhistische verhalen doodt de hemelse prins Dharmapala met zijn Machtige Pestle demonen en monsters. Zo bekeken doen de Shaolin monniken niets verkeerd en is het voor hun net zo belangrijk als het praktiseren van het Chan. De dichter Cheng Shao zei tijdens Ming dynastie in een van zijn gedichten dat het doel van de vechtkunst trainingen van de Shaolin monniken was het verdedigen van de vrede en orde uit chaos scheppen. Maar een ander verhaal verteld een andere oorsprong van het ontstaan van (gewapende) vechtmonniken. In de vroege Sui tempel 100 qing (667ha) land toegewezen, waarmee het, wat betreft landoppervlakte, de grootste tempel van het district geworden was. Zo groot dat het de aanzien van een groot grondbezitter kreeg, en zich er ook naar ging gedragen. De arme boeren in de omgeving van de tempel werden de bediende van de tempel. Doordat de tempel de boeren en monniken met een lage status exploiteerden, kon zij een grote welvaart opbouwen. Naast exploitatie als gewone grootgrondbezitters, beheersten zij de boeren m.b.v. het geloof. Aan het einde van de Sui accepteerden de boeren het niet langer en kwamen in opstand tegen de tempel. Om deze opstand neer te slaan, besloot men om meer dan 100 monniken te trainen in het stok vechten. Een andere dichter uit de Tang: De tempel heeft land gekregen, zodat zij konden assisteren in het arresteren van bandieten, neerslaan van demonen en het zuiveren van heilig land. Dit is de werkelijke reden achter de gewapende vechtmonniken van de Shaolin temple. In 1928 hield de Shaolin tempel in China op te bestaan als centrum van religie en vechtkunst, vernietigd door de Manchus. Toen zijn de monniken gevlucht en zijn naar verluidt de meeste boeddhistische geschriften en de geheime teksten over de gevechtskunsten arts in vlammen opgegaan. Maar de hallen waarin de fresco's zijn geschilderd bestaan nog. Over geheel China en Zuidoost Azië zijn de monniken gevlucht naar landen zoals; Indonesië, Japan, Singapore, Maleisië , Korea en Thailand. Tijdens de Tang Dynastie zijn er ook al monniken o.a. naar Korea vertrokken. De naam van de Koreaanse nationale vechtsport, Tang Soo Do, moet afgeleid zijn van Tang Shou, wat 'de handen van Tang' betekent. Ook de naam karate is hierop gebaseerd; 'te' is een verbastering van tang en 'kara' betekent, nu nog lege hand. De karatestijl 'Shorinji' is qua naam direct afgeleid van Shaolin; het is gewoon de Japanse uitspraak van Shaolin Si. De karakters zijn hetzelfde. Meer hierover in het hoofdstuk Wushu en Japan.
Nu fungeert de Shaolin Tempel als een toeristische attractie, waar getrainde atleten modern Wushu, en Qigong laten zien. Het Wushu is een op 't Shaolin gebaseerde vechtsport, maar het traditionele Shaolin wordt daar niet meer beoefend. Zwaarden en stokken zijn dun en licht geworden en de bewegingen zijn vooral mooi en daarna pas effectief. Deze moderne Shaolin monniken maken de laatste jaren grote furore over de gehele wereld met hun Shaolin Tours.
Mocht u na het lezen enige fouten ontdekken in het geheel van dit verhaal mag u dat altijd mailen naar ons omdat ook wij deze verhalen niet hebben gemaakt. Maar slechts hebben overgenomen, waarvoor onze dank aan de desbetreffende...
|